Naar alle columns

Groene genen

Door Agnes Frijlink

Het begon allemaal bijna drie jaar geleden, toen de plaatselijke supermarkt, waarvan ik de naam natuurlijk niet noem, met van die grappige moestuintjes aan kwam zetten. Wat leuk, wat leuk, wat leuk! Maar nu heb ik het bijltje erbij neergegooid, of liever, de hark en de schoffel. Want hoewel mijn voorouders goede boeren waren, ik opgroeide op het platteland en mijn genen toch een beetje groen zullen zijn, mis ik de echte groene vingers. Het lukt steeds net niet met die broccoli, sperzieboontjes, worteltjes, venkel en tomaten van mij. Ach, zo'n stadstuin leent zich er natuurlijk ook niet voor. Tjah, had ik een leuk klein boerderijtje in het hartje van Drenthe,... ja, dan,.. ja dan,...misschien.

Maar nu heb ik het bijltje erbij neergegooid, of liever, de hark en de schoffel.

Hoe dan ook, de tuinavonturen hadden in ieder geval als gevolg dat ik weer weet waar ik vandaan kom. Denkend aan boerderijen, denk ik echter niet aan die grote bedrijven waar ik tegenwoordig voorbij racefiets, waar je de koeien binnen in de loopstallen ziet staan met hun dromende blik over grazige weiden en vers gras, maar aan de knusse kleinschalige boerderijen uit mijn vroege jeugd. Of aan die van nog eerder.
De tijd van het overzichtelijke leven: Tien koeien vulden tien melkbussen die met de kar naar de fabriek werden gebracht. Tien kippen legden twintig eieren waarvan er vijftien voor de verkoop waren en vijf voor het gezin. Op een stuk land werden aardappelen verbouwd, deels voor eigen gebruik, deels voor de mensen in de stad; men rooide met de hand.

Boer bij hooischelf
Boer bij hooischelf — Richard Roland Holst

Wat een mooi werkje is dat toch! Dit 'Boer bij hooischelf' (1889), van Richard Roland Holst (1868 – 1938). Dit is nou zo'n boer zoals ik mij ze graag herinner. Het kan mijn grootvader zijn, of overgrootvader. Richard Roland Holst koos voor een eigenaardige benadering: we zien de boer op de rug. Hij blijft anoniem, maar toch is het een intiem moment. We zijn heel dichtbij hem. De hooischelf lijkt bijna een tweede persoon; hij ligt daar goed, niet grimmig, niet moe. Heeft de boer de klus van het maken van de schelf zojuist geklaard en staat hij daar nu tevreden van bij te komen? Misschien, misschien niet. Het maakt mij ook niet uit eigenlijk. Ik wil gewoon naar dit schilderijtje kijken; met de boer over zijn schouder heen mee de verte in staren. Het leven is goed. De koeien lopen buiten beeld vast ergens te grazen. Over een uur gaan we ze melken.

Het leven is goed. De koeien lopen buiten beeld vast ergens te grazen.

Wacht, ik zal eerst nog even schoffelen tussen de boerenkool. Welke boerenkool? De grootste bedervers van mijn tuinierpret dit jaar waren de slakken. Die verdraaide vervelende grote naaktslakken. En wijngaardslakken! Ze vraten driekwart van mijn gewassen op. Emmers vol met dat gebroed plukte ik tijdens mijn nachtelijk ronde door de moestuin van de planten, om ze zo'n 50 meter verderop in het plaatselijke park los te laten. Boeh en bah. Als slakkenkweker zou ik wellicht meer succes hebben.
Zouden de boeren van weleer ook wel eens zo'n slakkenplaag gehad hebben? En wat zouden zij daar tegen gedaan hebben?

Er zijn mensen die zout over die beestjes strooien, heb ik gehoord. Of die slakken nou wel of geen pijn voelen, zout leek mij geen leuk idee; ik sjouwde trouw met ze. Of die boer van hierboven op dat leuke schilderijtje dat ook deed? Wie weet.